073 720 02 00

Terug naar kantoor: mag een werkgever thuiswerkbeleid zomaar intrekken?

Door Bijgewerkt op Geen categorie

Na de coronapandemie is hybride werken in veel ondernemingen het nieuwe normaal gebleven, tot grote tevredenheid bij werknemers zo blijkt uit een recent CNV-onderzoek. Werknemers ervaren uiteenlopende  voordelen zoals minder reistijd, meer rust en (daarmee) een betere balans tussen werk en privé. Toch zien we steeds meer werkgevers met de wens om de thuiswerkregelingen te beperken of zelfs geheel in te trekken. Twee recentelijk in het nieuws verschenen voorbeelden zijn Asus en Caterpillar, waar het hybride werken is ingetrokken vanwege internationaal opgelegd beleid. Beide ondernemingen stuitten echter op verzet van het personeel. Dit roept de vraag op of een thuiswerkregeling zomaar eenzijdig gewijzigd kan worden.

Eenzijdig wijzigen thuiswerkregeling

Een regeling waarin het recht op hybride werken is opgenomen, raakt in veel gevallen de arbeidsvoorwaarden van werknemers. Het eenzijdig wijzigen van een dergelijke regeling door een werkgever – dus zonder instemming van werknemers – is niet zonder meer toegestaan. Dit bespraken wij eerder in ons blog over het “eenzijdig wijzigingsbeding”. In dit artikel is te lezen dat ook wanneer een ‘eenzijdig wijzigingsbeding’ is opgenomen alsnog de nodige hobbels genomen moeten worden. Eén van deze hobbels kan zijn dat de OR – en soms zelfs ook vakbonden – betrokken moeten worden bij de voorgenomen wijziging. In dit artikel staan wij aan de hand van de Asus- en Caterpillar-zaak stil bij de verplichting om een OR te betrekken bij de eenzijdige wijziging een thuiswerkregeling.

Instemmingsrecht ondernemingsraad

Op grond van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) heeft de OR (of een personeelsvertegenwoordiging) een instemmingsrecht bij wijzigingen van regelingen op het gebied van arbeidsomstandigheden en werktijden. Stemt een OR niet in met de wijziging, kan het besluit dus niet eenzijdig worden doorgevoerd. Wel kan een werkgever in dat geval om een vervangende instemming van een rechter vragen. Dit was bijvoorbeeld aan de orde in de Asus-zaak.

De Asus-zaak

Asus wilde het aantal kantoordagen verhogen en vroeg de OR om (voorwaardelijke) instemming. Toen de OR dit weigerde, stapte Asus naar de rechter. Asus stelde allereerst dat er geen instemmingsrecht zou zijn voor de OR, en vroeg – voor het geval dit toch anders zou zijn – om een vervangende instemming.

De rechter wees beide verzoeken af. Allereerst werd vastgesteld dat thuiswerkbeleid onder het instemmingsrecht van de OR valt omdat het een regeling betreft op het gebied van de arbeidsomstandigheden. Dit is zowel het geval wanneer het te wijzigen beleid tot stand is gekomen met behulp van de OR maar ook als dit niet het geval is geweest.

Voor het verzoek om een vervangende instemming, heeft de rechter toegelicht dat deze instemming enkel wordt gegeven wanneer (i) de weigering van de instemming door de OR onredelijk is, of (ii) als het voorgenomen besluit van de onderneming gevergd wordt door zwaarwegende bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen.

Ten aanzien van de redelijkheidstoets, geldt dat alle argumenten voor het voorgenomen besluit en de argumenten van de OR om de instemming hiertoe te weigeren tegen elkaar afgewogen moeten worden. Daarnaast geldt dat een rechter zich bij deze redelijkheidstoets terughoudend opstelt.

In dit geval was het belang van Asus voor de wijziging voornamelijk gebaseerd op het feit dat de wijziging door het (internationaal) hoofdkantoor was opgedragen, hetgeen werd aangevuld met redenen dat de productiviteit, creativiteit, loyaliteit en collegialiteit van personeel was afgenomen. De OR had op haar beurt uiteenlopende nadelen van het afschaffen van hybride werken voor het personeel aangebracht, zowel financieel als in de werk-privé balans. Ook had de OR gewezen op de onduidelijkheid over het aantal werkplekken op kantoor, het feit dat personeel juist bij Asus werkt vanwege de hybride werkregeling, et cetera. De rechter kwam daarmee tot de conclusie dat – in dit geval – het feit dat de OR geen instemming had verleend, niet onredelijk was.

Ook de toets van de ‘zwaarwegende bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen’ om tot vervangende instemming te komen, werd afgewezen. Het zwaarwegende belang had Asus voornamelijk onderbouwd met een verwijzing naar het door het hoofdkantoor opgelegde beleid. Dit werd door de rechter op zichzelf onvoldoende bevonden omdat niet duidelijk was gemaakt wat de nadelige consequenties zouden zijn wanneer dit beleid niet was gevolgd.

De Caterpillar-zaak

Asus ving dus ook bij de rechter bot met als gevolg dat het beleid niet eenzijdig gewijzigd kon worden. Hetzelfde was het geval bij Caterpillar. Daar gold vanaf 2017 een flexibele thuiswerkregeling, vastgelegd in een thuiswerkovereenkomst. Vanaf 2022 volgde vanuit het (internationale) hoofdkantoor al de aanmoediging om weer op kantoor te komen werken. In oktober 2023 werden alle werknemers vanuit het hoofdkantoor verplicht om ten minste drie dagen per week op kantoor te werken per 1 januari 2024, wat niet volledig werd nageleefd. In april 2025 volgde het bericht vanuit het hoofdkantoor dat werknemers alle dagen op kantoor werden verwacht. De Europese OR heeft hier in mei 2025 al bezwaar tegen gemaakt. Het besluit van het hoofdkantoor bleef echter gehandhaafd, maar wel met de opmerking dat lokale vereisten in het kader van werknemersvertegenwoordiging zou worden nageleefd bij de overgang.

Enkele dagen na dit besluit werd door “Caterpillar Nederland” gecommuniceerd dat in lijn met het hoofdkantoor de thuiswerkovereenkomsten werden ingetrokken en men weer terug naar kantoor zou moeten. Slechts enkele dagen hieraan voorafgaand is dit besluit aan de (Nederlandse) OR medegedeeld, zonder instemmingsverzoek. Dit leidde ertoe dat de OR het besluit nietig heeft verklaard en verzocht het besluit op te schorten tot het moment dat er instemming werd verleend. Enkele dagen later werd dit verzoek, een verbod op uitvoering van het beleid tot een instemming van de OR is verkregen, door de OR aan de rechter voorgelegd. Caterpillar verweerde zich tegen het verzoek met de stelling (i) dat de OR te laat was met haar bezwaar; en (ii) dat er geen instemming nodig zou zijn van de OR.

De OR zou volgens Caterpillar te laat zijn geweest omdat zij op basis van de WOR binnen één maand na mededeling van een besluit bezwaar moet maken. Caterpillar stelt vervolgens dat vanuit het hoofdkantoor in april 2025 al de mededeling is gedaan van het besluit om weer volledig thuis te gaan werken. Daarmee zou het bezwaar van de OR in juni 2025 te laat zijn.

De kantonrechter oordeelde echter dat de mededeling vanuit het hoofdkantoor – in dit geval – niet een besluit of de mededeling was waarop de OR binnen één maand moest reageren, maar dat dit de mededeling betrof van Caterpillar Nederland. Caterpillar had immers niet aangetoond dat beslissingen vanuit hoofdkantoor direct werden doorgevoerd in Nederland. De reactie vanuit de OR was dus tijdig.

Ook het verweer van Caterpillar dat het besluit überhaupt geen instemming behoefde, slaagde niet. Wederom werd bevestigd dat een besluit tot wijziging van een thuiswerkregeling een wijziging van arbeidsomstandigheden in het kader van de WOR betreft. Dit kan echter anders zijn wanneer het doel en de strekking van het besluit anders is en dit besluit enkel het gevolg heeft dat arbeidsomstandigheden wijzigen. Caterpillar stelde dat hiervan sprake is en zij niet het doel had om de thuiswerkregeling te wijzigen. Caterpillar zou enkel doelen willen bereiken op het gebied van samenwerking, innovatie en begeleiding van nieuwe werknemers. Deze toelichting hield volgens de rechter echter geen stand. Het doel en de strekking was afschaffen van het bestaande thuiswerkbeleid en dat valt ‘simpelweg’ onder arbeidsomstandigheden.

Met andere woorden had ook hier de OR instemmingsrecht en mocht het besluit tot intrekking van de thuiswerkregeling niet worden uitgevoerd tot er instemming was van de OR. Wel zie je dus dat

Conclusie

Relevant is om te benadrukken dat het gaat om de toetsing van alle omstandigheden van het geval. Bevestigd wordt met de Asus- en Caterpillar-zaak echter dat de OR bij het wijzigen van een thuiswerkregeling in veel gevallen betrokken moet worden en dat de ‘zwaarwegende belangen’-toets voor een vervangende instemming niet lichtvoetig is.

Wijzigen van thuiswerkbeleid is weliswaar niet onmogelijk, maar vereist een gedegen voorbereiding en afweging. Onderbouw je belang voor de wijziging goed, controleer of de ondernemingsraad en eventueel vakbonden geïnformeerd moeten worden en schakel juridisch advies in om de strategie zorgvuldig vorm te geven. De advocaten en juristen van Snijders Arbeidsrecht denken graag met je mee.

* Let op: dit artikel ziet op de situatie dat er sprake is van een schriftelijke regeling die (collectief) gewijzigd wordt door een werkgever. Is er geen sprake van een schriftelijke regeling of betreft het een wijzigingsverzoek van een individuele werknemer, dan gelden er andere uitgangspunten. Ook in die gevallen geldt dat het raadzaam is je door een advocaat of jurist te laten adviseren en denken wij graag met je mee.*

Vraag & antwoord

Veelgestelde vragen

Ja, dit is opgenomen in artikel 915 van de Wet franchise. Daaruit volgt dat de franchisenemer “binnen de grenzen van redelijkheid” de “nodige maatregelen” dient te treffen om te voorkomen dat hij onder invloed van onjuiste veronderstellingen overgaat tot het sluiten van de franchiseovereenkomst.

Nee, de Wet franchise kent die verplichting niet. Wel dient er een omvangrijk PID verstrekt te worden.

De Wet franchise is niet duidelijk op dit punt. Er wordt in de Wet franchise bij deze zogenaamde “multiple franchising” wel een uitzondering voor de stand-still periode gemaakt, maar niet voor het verstrekken van de PID zelf.


Lees meer

In de Wet franchise wordt dit niet specifiek benoemd. Je zou kunnen aannemen dat de fase voor verlenging niet als een voorfase kan worden beschouwd en de precontractuele informatieverplichting (waaronder het verstrekken van de PID) niet van toepassing is. De franchisenemer die al vijf jaar de betreffende locatie heeft geëxploiteerd kent de franchiseorganisatie en de kosten en opbrengsten van de exploitatie van zijn/haar vestiging.


Lees meer

Volgens de Wet Franchise moet de franchisegever alle informatie verstrekken waarvan de franchisegever moet begrijpen dat die van belang is voor de kandidaat. Aan de andere kant is het ook zo dat er ook een onderzoekplicht is van de kandidaat. Als de aspirant-franchisenemer zelf geen onderzoek doet is dat voor diens risico.


Lees meer

Nee, de wet is heel strikt in deze 4 weken en de rechtspraak gaat hier vooralsnog in mee. Dit kwam naar voren in het kort geding van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 30 juni 2021. De rechter overwoog (onder meer) dat in artikel 7:913 en 7:914 BW besloten ligt dat er met het verstrekken van de precontractuele informatie door de franchisegever een aanbod wordt gedaan aan de beoogde franchisenemer om op basis van de bijgevoegde ontwerp franchiseovereenkomst een franchiseovereenkomst te sluiten. Het is vervolgens aan de beoogde franchisenemer om zich te beraden of hij dit wil of dat hij nog verder wil onderhandelen met de franchisegever. De franchisegever kan in deze termijn alleen maar afwachten. Het is de franchisenemer die aan zet is.

De stand-still periode duurt 4 weken. Dit is een verplichte bedenktijd voor het sluiten van de franchiseovereenkomst. Tijdens deze periode mogen er geen wijzigingen worden doorgevoerd ten nadele van de aspirant franchisenemer. Bedoeling van deze periode is dat de kandidaat alle gelegenheid heeft om alle informatie goed te bestuderen en ook om nader onderzoek te doen. Dit moet er voor zorgen dat een kandidaat goed nadenkt en in alle rust een weloverwogen beslissing kan nemen.

Dit document wordt aan het begin van de stand-still periode door de franchisegever overhandigd aan de kandidaat franchisenemer. De PID is een erg uitgebreid document. De PID bevat namelijk alle informatie bevat die tussen franchisegever en kandidaat is uitgewisseld. De franchisegever moet hier heel zorgvuldig mee omgaan. Het ontbreken van informatie kan aanleiding zijn tot claims van de franchisenemer. De PID moet alle informatie bevatten waarvan de franchisegever moet begrijpen dat die van belang kan zijn voor de aspirant franchisenemer.

Nee. Indien uw zaak op toevoegingsbasis behandeld kan worden, kunt u het beste contact opnemen met het Juridisch Loket. Zij helpen u bij het vinden van een advocaat die op deze basis werkt.

De gemiddelde werving en selectie fee in Nederland ligt tussen de 20% en 30% van het bruto jaarsalaris (inclusief vakantiegeld en overige emolumenten). De exacte hoogte is afhankelijk van de complexiteit van de zoekopdracht, de branche en de schaarste op de arbeidsmarkt.


Lees meer

Bent u op korte termijn op zoek naar juridische professionals voor een Interim opdracht of juist op basis van werving & selectie? Bij Snijders Interim bent u aan het juiste adres. Bij Snijders Interim Community zijn de beste juridische professionals uit de markt aangesloten. Of u nu op zoek bent naar een jurist, advocaat, Legal Counsel of bedrijfsjurist op junior, medior of senior level, wij staan u graag bij in uw zoektocht. Laat het ons weten en we komen graag bij u op bezoek om onze dienstverlening verder toe te lichten

Wie stelt moet bewijzen, dat is de hoofdregel van ons burgerlijk procesrecht. Maar wat nu als u een geschil heeft met een andere partij maar u uw stellingen niet (voldoende) kunt onderbouwen? U kunt dan een verzoek indienen tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor met als doel het vergaren van extra informatie en bewijs.


Lees meer

Veel werkgevers stellen internet en e-mail aan werknemers ter beschikking. Werknemers gebruiken dat namelijk bij het verrichten van hun werkzaamheden. Soms gebruiken werknemers echter dat internet en die e-mail (tijdens werktijd) voor tal van andere activiteiten, variërend van het lezen van privé e-mail tot het bekijken van pornofilmpjes.


Lees meer

Regelmatig worden wij met de vraag geconfronteerd of een uitlener de door hem aan een ander ter beschikking gestelde werknemers, zoals uitzendkrachten of een gedetacheerde werknemers, kan verbieden om bij de inlener in dienst te treden of dat op een andere manier kan belemmeren. Wij geven antwoord.


Lees meer

Regelmatig stellen werkgevers vragen over de, sinds 1 januari 2015 geldende, aanzegverplichting. De meest gestelde vragen en de antwoorden daarop volgen hieronder.


Lees meer

Als u een geldvordering heeft op een wanbetaler, kunt u beslag laten leggen op een bankrekening. Dat kan door een advocaat te vragen om dit te doen. Alleen advocaten (en dus niet deurwaarders) mogen aan de rechtbank toestemming vragen om conservatoir beslag te leggen.


Lees meer
Lees alle FAQ's
Wij scoren gemiddeld een 8,8 op basis van 43 referenties
Wij scoren gemiddeld een 8,8 op basis van 43 referenties