073 720 02 00

De nieuwe berekeningswijze van de draagkracht voor alimentatie

Bijgewerkt op Geen categorie, Nieuws

Met ingang van 1 januari jl. wordt de draagkracht voor (met name partner-) alimentatie op een andere manier berekend. Ik heb al eerder een blog geschreven over de voornemens in dat kader en wat daarvan vooraf ging. In deze blog zal ik concreter – op hoofdlijnen – aangeven wat anders wordt in de berekening van de draagkracht voor alimentatie.

Zelfde methodiek bij kinder- en partneralimentatie

Vanaf nu wordt de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie in beginsel op dezelfde manier berekend. Wel zo praktisch. Het kon voorheen namelijk voorkomen dat een onderhoudsplichtige onvoldoende draagkracht had voor kinderalimentatie (op basis van een forfaitaire woonlast), maar dan wél nog draagkracht had voor partneralimentatie (op basis van de werkelijke woonlasten). Dat is natuurlijk vreemd, nu kinderalimentatie de hoogste prioriteit heeft.

Behoefte een draagkracht

De wettelijke maatstaven voor de bepaling van de alimentatie veranderen niet. Dat blijven de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en de draagkracht van de onderhoudsplichtige. De draagkracht wordt alleen op een andere manier berekend. Voordat ik dat toelicht, ga ik eerst kort in op het NBI, nu dat het startpunt is voor de berekening van de draagkracht.

Het netto besteedbaar inkomen (NBI)

Het NBI van de onderhoudsgerechtigde is iets anders dan het netto salaris. De vraag is wat iemand gemiddeld per maand netto te besteden heeft, althans redelijkerwijs te besteden kan hebben. Er wordt naast een salaris ook rekening gehouden met bonussen, eindejaarsuitkeringen, vakantiegeld, of – bij een ondernemer – winst uit onderneming, dividend en voor iedere onderhoudsplichtige inkomen uit sparen/beleggen, indien aanwezig. Het gaat er dus om wat iemand gemiddeld netto te besteden heeft/ redelijkerwijs kan hebben uit box I, II en III per maand.

De forfaitaire berekening

Van het NBI wordt de onderhoudsgerechtigde geacht om 30% uit te geven aan woonlasten en daarnaast te leven van een forfait aan kosten levensonderhoud van € 1.175 per maand. Van hetgeen resteert is vervolgens 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. Uiteraard wordt op het bedrag dat beschikbaar is voor partneralimentatie, eerst het aandeel in de kosten van de kinderen in mindering gebracht. Stel dus dat er € 600 ruimte is voor partneralimentatie en het aandeel in de kosten van een kind is € 500, dan resteert dus € 100 voor partneralimentatie.

In formules weergegeven ziet het er als volgt uit. De draagkrachtformule bij partneralimentatie is:

60% van [NBI – (30% NBI + 1.175)]

De draagkrachtformule bij kinderalimentatie is (ongewijzigd):

70% van [NBI – (30% NBI + 1.175)]

Het forfait kosten levensonderhoud

Het forfait kosten levensonderhoud is als volgt opgebouwd:

Het woonbudget

Onder het woonbudget in de nieuwe richtlijnen vallen onder meer:

In geval van een koopwoning:

  • de rente eigenwoningschuld (minus fiscaal voordeel);
  • gangbare aflossingen op de eigenwoningschuld;
  • inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld;
  • premie opstalverzekering;
  • lokale belastingen, zowel het deel dat ziet op de eigendom, als het gebruikersdeel;
  • polder- en waterschapslasten en
  • onderhoudskosten.

In geval van een huurwoning:

  • de huur (minus eventuele huurtoeslag);
  • verplichte servicekosten en
  • lokale belastingen.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt bovendien dat (redelijke) lasten voor gas, water en licht (die meer bedragen dan het bedrag dat vanuit de bijstandsnorm kan worden voldaan).

Het woonbudget is ruimer dan de forfaitaire woonlast van 30% die reeds werd gebruikt voor de berekening van kinderalimentatie. Ook de draagkracht voor kinderalimentatie wordt dus op een iets andere wijze berekend.

Uitzonderingen?

Het is mogelijk dat er toch wordt gerekend met de werkelijke woonlasten. Dat is het geval als er sprake is van een tekort in de behoefte van de onderhoudsgerechtigde. In geval van partneralimentatie is daar geregeld sprake van. Het is dus niet zo dat er altijd wordt gerekend met een woonbudget van 30%. Als er sprake is van een tekort en de onderhoudsplichtige woont bijvoorbeeld samen, dan wordt er in beginsel rekening gehouden met de helft van de werkelijke woonlasten, die veelal lager zal zijn dan het woonbudget. De nieuwe partner wordt namelijk geacht de helft van de woonlasten te betalen. Verder kan er met niet-verwijtbare en niet-vermijdbare lasten rekening worden gehouden (bijvoorbeeld een huwelijkse schuld). Die extra last wordt dan nog opgeteld bij het draagkracht loos inkomen (dus naast het forfait kosten levensonderhoud en het woonbudget). Tot slot is ook nog van belang dat de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van alimentatie niet beter af mag zijn dan degene die alimentatie betaalt. In dat kader kan er een inkomensvergelijking worden gemaakt. Die vervangt de zogenaamde jusvergelijking die voorheen kon worden toegepast.

Wanneer een herberekening?

De aanpassing van het systeem leidt er niet toe dat iedere alimentatieverplichting moet worden gewijzigd. Voor bestaande onderhoudsverplichtingen moet namelijk sprake zijn van een wijziging van omstandigheden, bijvoorbeeld een hoger salaris of een kind uit een nieuwe relatie. Als sprake is van een dergelijke wijziging van omstandigheden, dan wel in zaken die nu starten en de ingangsdatum ligt ook in dit jaar (dus niet als een wijziging met ingang van vóór 1 januari 2023 wordt verzocht), dan wordt het nieuwe systeem toegepast.

Tot slot

Dit is een vereenvoudigde weergave van de wijzigen. Deze blog geeft geen complete weergave van wat er precies allemaal verandert. Dat zou immers een te omvangrijk en ook te juridisch stuk worden. Er kunnen dus ook geen rechten worden ontleend aan deze blog. Iedere zaak is anders en daarvoor dienen alle omstandigheden te worden betrokken door een deskundige.

Vragen?

Mocht er reden zijn voor een herberekening of mocht u vragen hebben over het gewijzigde systeem, kunt u uiteraard contact opnemen met een van de advocaten van Snijders Familierecht.

Vraag & antwoord

Veelgestelde vragen

Ja, dit is opgenomen in artikel 915 van de Wet franchise. Daaruit volgt dat de franchisenemer “binnen de grenzen van redelijkheid” de “nodige maatregelen” dient te treffen om te voorkomen dat hij onder invloed van onjuiste veronderstellingen overgaat tot het sluiten van de franchiseovereenkomst.

Nee, de Wet franchise kent die verplichting niet. Wel dient er een omvangrijk PID verstrekt te worden.

De Wet franchise is niet duidelijk op dit punt. Er wordt in de Wet franchise bij deze zogenaamde “multiple franchising” wel een uitzondering voor de stand-still periode gemaakt, maar niet voor het verstrekken van de PID zelf.


Lees meer

In de Wet franchise wordt dit niet specifiek benoemd. Je zou kunnen aannemen dat de fase voor verlenging niet als een voorfase kan worden beschouwd en de precontractuele informatieverplichting (waaronder het verstrekken van de PID) niet van toepassing is. De franchisenemer die al vijf jaar de betreffende locatie heeft geëxploiteerd kent de franchiseorganisatie en de kosten en opbrengsten van de exploitatie van zijn/haar vestiging.


Lees meer

Volgens de Wet Franchise moet de franchisegever alle informatie verstrekken waarvan de franchisegever moet begrijpen dat die van belang is voor de kandidaat. Aan de andere kant is het ook zo dat er ook een onderzoekplicht is van de kandidaat. Als de aspirant-franchisenemer zelf geen onderzoek doet is dat voor diens risico.


Lees meer

Nee, de wet is heel strikt in deze 4 weken en de rechtspraak gaat hier vooralsnog in mee. Dit kwam naar voren in het kort geding van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 30 juni 2021. De rechter overwoog (onder meer) dat in artikel 7:913 en 7:914 BW besloten ligt dat er met het verstrekken van de precontractuele informatie door de franchisegever een aanbod wordt gedaan aan de beoogde franchisenemer om op basis van de bijgevoegde ontwerp franchiseovereenkomst een franchiseovereenkomst te sluiten. Het is vervolgens aan de beoogde franchisenemer om zich te beraden of hij dit wil of dat hij nog verder wil onderhandelen met de franchisegever. De franchisegever kan in deze termijn alleen maar afwachten. Het is de franchisenemer die aan zet is.

De stand-still periode duurt 4 weken. Dit is een verplichte bedenktijd voor het sluiten van de franchiseovereenkomst. Tijdens deze periode mogen er geen wijzigingen worden doorgevoerd ten nadele van de aspirant franchisenemer. Bedoeling van deze periode is dat de kandidaat alle gelegenheid heeft om alle informatie goed te bestuderen en ook om nader onderzoek te doen. Dit moet er voor zorgen dat een kandidaat goed nadenkt en in alle rust een weloverwogen beslissing kan nemen.

Dit document wordt aan het begin van de stand-still periode door de franchisegever overhandigd aan de kandidaat franchisenemer. De PID is een erg uitgebreid document. De PID bevat namelijk alle informatie bevat die tussen franchisegever en kandidaat is uitgewisseld. De franchisegever moet hier heel zorgvuldig mee omgaan. Het ontbreken van informatie kan aanleiding zijn tot claims van de franchisenemer. De PID moet alle informatie bevatten waarvan de franchisegever moet begrijpen dat die van belang kan zijn voor de aspirant franchisenemer.

Nee. Indien uw zaak op toevoegingsbasis behandeld kan worden, kunt u het beste contact opnemen met het Juridisch Loket. Zij helpen u bij het vinden van een advocaat die op deze basis werkt.

De gemiddelde werving en selectie fee in Nederland ligt tussen de 20% en 30% van het bruto jaarsalaris (inclusief vakantiegeld en overige emolumenten). De exacte hoogte is afhankelijk van de complexiteit van de zoekopdracht, de branche en de schaarste op de arbeidsmarkt.


Lees meer

Bent u op korte termijn op zoek naar juridische professionals voor een Interim opdracht of juist op basis van werving & selectie? Bij Snijders Interim bent u aan het juiste adres. Bij Snijders Interim Community zijn de beste juridische professionals uit de markt aangesloten. Of u nu op zoek bent naar een jurist, advocaat, Legal Counsel of bedrijfsjurist op junior, medior of senior level, wij staan u graag bij in uw zoektocht. Laat het ons weten en we komen graag bij u op bezoek om onze dienstverlening verder toe te lichten

Wie stelt moet bewijzen, dat is de hoofdregel van ons burgerlijk procesrecht. Maar wat nu als u een geschil heeft met een andere partij maar u uw stellingen niet (voldoende) kunt onderbouwen? U kunt dan een verzoek indienen tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor met als doel het vergaren van extra informatie en bewijs.


Lees meer

Veel werkgevers stellen internet en e-mail aan werknemers ter beschikking. Werknemers gebruiken dat namelijk bij het verrichten van hun werkzaamheden. Soms gebruiken werknemers echter dat internet en die e-mail (tijdens werktijd) voor tal van andere activiteiten, variërend van het lezen van privé e-mail tot het bekijken van pornofilmpjes.


Lees meer

Regelmatig worden wij met de vraag geconfronteerd of een uitlener de door hem aan een ander ter beschikking gestelde werknemers, zoals uitzendkrachten of een gedetacheerde werknemers, kan verbieden om bij de inlener in dienst te treden of dat op een andere manier kan belemmeren. Wij geven antwoord.


Lees meer

Regelmatig stellen werkgevers vragen over de, sinds 1 januari 2015 geldende, aanzegverplichting. De meest gestelde vragen en de antwoorden daarop volgen hieronder.


Lees meer

Als u een geldvordering heeft op een wanbetaler, kunt u beslag laten leggen op een bankrekening. Dat kan door een advocaat te vragen om dit te doen. Alleen advocaten (en dus niet deurwaarders) mogen aan de rechtbank toestemming vragen om conservatoir beslag te leggen.


Lees meer
Lees alle FAQ's
Wij scoren gemiddeld een 8,9 op basis van 54 referenties
Wij scoren gemiddeld een 8,9 op basis van 54 referenties